Hallehuisgroep

Nederland- breed

De Hallehuisgroep is het meest voorkomende huistype van Nederland. Het komt in principe in iedere provincie in een vorm wel terug. Daarom is dit ook de meest complexe om te duiden met veel subtypen. Het type wordt gekenmerkt door een driebeukige opzet, een ankerbalkgebint en een stal die vaak als grupstal is uitgevoerd. De boerderijen hebben vaak lage zijgevels en een rieten of pannen zadeldak, vaak gewolfd (Hekker, 1957).

Boerderijen worden gekenmerkt door regionale eigenschappen. Het kan echter ook zijn dat een ‘Amstellandse hallehuisboerderij’ ook in Zoetermeer voorkomt. Interregionaal zijn er veelal vergelijkbare varianten op het hallehuis gemaakt die bij ieder type wel voorkomt. Dit zijn aanpassingen in het voorhuis. Varianten als een: kruk- t- dwarshuis komen veel voor.

Veel hallehuizen kregen in de 18e en 19e eeuw uitbreidingen zoals een keukentravée, zomerhuis of aangebouwde jongveestal, terwijl de oorspronkelijke hallehuisstructuur in de stal vaak herkenbaar bleef (Hekker, 1957).

Amstellandse hallehuisboerderij

De Amstellandse hallehuisboerderij komt voor in het veenweidegebied ten zuiden van Amsterdam, waar melkveehouderij en hooilandbeheer eeuwenlang de bedrijfsvoering bepaalden (RCE, 2025).

De boerderij heeft een herkenbaar vergroot en vaak verfraaid voorhuis, waarin de kelder doorgaans over de volledige breedte is doorgetrokken. De stal is meestal als voergang uitgevoerd, met een smalle middenbeuk en brede zijbeuken die de Hollandse stal typeren. Veel Amstellandse boerderijen zijn in de 18e en 19e eeuw verbouwd tot krukhuis, T‑huis of dwarshuis, waarbij het voorhuis een representatieve gevel kreeg (SHBO, 1989). Op het erf staan vaak losse hooibergen, wagenschuren, zomerhuizen en bakhuizen, terwijl schaduwbomen en siertuinen het voorerf markeren.

Betuwse hallehuisboerderij

De Betuwse hallehuisboerderij is gelieerd aan de hallehuisboerderij in het rivierengebied. Dit specifieke type komt echter hoofdzakelijk voor tussen Waal en Lek. De boerderij heeft een brede hallehuisstructuur met een opvallende overkapping boven de deeldeuren in de achtergevel, bedoeld om het lossen van wagens te beschermen tegen regen (RCE, 2025). Het voorhuis is vaak als T‑huis uitgevoerd, met een schilddak en een symmetrische voorgevel die de welvaart van het gebied weerspiegelt (SHBO, 2004).

De bedrijfsvoering was gemengd, met zowel akkerbouw als veeteelt. Op het erf komen regelmatig bakhuizen, wagenschuren, losse hooibergen, boomgaarden en siertuinen voor, terwijl de boerderij zelf vaak haaks op de dijk is geplaatst (RCE, 2025).

Delfslandse boerderij

De Delfslandse boerderij komt voor in Midden‑Delfland, Schieland en omgeving. Het wordt gekenmerkt door een dwarsdeel, een dwarsgang gang die tussen het woonhuis en de stal loopt. Ook door het feit dat de stal is vaak (significant) jonger dan het voorhuis en is gericht op de zijgevel. Waar ook de hooibergen en wagenschuren staan (RCE, 2025). De boerderij is doorgaans langgerekt, met een gewolfd zadeldak en een representatief voorhuis dat naar de weg is gericht (SHBO, 1994). De bedrijfsvoering was sterk op melkveehouderij gericht, wat zichtbaar is in de aanwezigheid van melkkelders, opkamers en zomerhuizen. Het erf is open en langgerekt met hooibergen en wagenschuren, met sloten, bruggetjes en schaduwbomen.

Drentse dwarsdeelboerderij

Deze Drentse hoeven onderscheiden zich door lage en oude bouw. Vaak zijn deze uitgevoerd met een tuitgevel, relatief korte maar brede boerderijen en een driebeukige hallehuisstructuur. Het bedrijf was gemengd, met potstallen, graanzolders en karnruimtes (SHBO, 2006). Veel boerderijen kregen later een kruk, T‑huis of dwarshuis als uitbreiding van het voorhuis (Jans J. , 1980). Op het erf staan vaak kapschuren, varkenshokken, bakhuizen en hooibergen, terwijl boomgaarden en moestuinen het achtererf bepalen.

Drentse Langsdeelboerderij

De Langsdeelboerderij is een variant op de dwarsdeelboerderij.  Aan de boerderijen zitten vaak onderschoeren, uitgebouwde delen voor meer ruimte in de stalruimte. Achter de boerderij werd vaak een houten hooischuur gebouwd (SHBO, 2006). Deze werd schuin of zelfs haaks op de achtergevel gezet om inrijden van de staldeuren niet te bemoeilijken. Vaak is in deze boerderijen een uilengat of uilenbord verwerkt (Jans J. , 1980).

Drentse Overgangstype

Het Drentse overgangstype kenmerkt zich door het feit dat deze, in tegenstelling tot de eerdere boerderijen, met het woonhuis op de straat gesitueerd is. Doorgaans zijn deze boerderijen ook steeds rijker en statiger uitgevoerd met sierlijke elementen of villa- dwarshuizen wat duidelijk afwijkt van de soberder varianten elders op de zandgronden (SHBO, 2006).

Ook komen in deze regio onderschoeren en dwarsdelen voor, elementen die de interne organisatie van het bedrijf weerspiegelen en de boerderij een herkenbare Drentse signatuur geven (RCE, 2025). Vaak is in deze boerderijen een uilenbord verwerkt.

Friese hallehuisboerderij

De Friese hallehuisboerderij komt voor in het zuidoosten van Friesland (Dijkstra, 2026). De boerderij is langgerekt, met een driebeukige indeling en een schouw die vaak tegen de voorgevel is geplaatst (RCE, 2025). De stal is als Friese grupstal uitgevoerd, met mestluiken in de achtergevel. Veel boerderijen kregen een keukentravée of een uitgebouwde kamer aan de zijgevel (SHBO, 1998). De erven zijn open en functioneel, met losse schuren, hooibergen en schaduwbomen langs de oprijlaan.

Gooise hallehuisboerderij

De Gooise hallehuisboerderij komt voor op de zandgronden van Noord- Utrecht en het Gooi. Het type is sober en weinig verbouwd, vaak zonder keukentravée en met een eenvoudige hallehuisstructuur die nog goed herkenbaar is. De boerderij heeft lage zijgevels, een aan de achterzijde gewolfd zadeldak en een bescheiden voorhuis (SHBO, 1989). Op het erf staan meestal een bakhuis, wagenschuur en kleine stallen, terwijl het landschap wordt gekenmerkt door houtwallen en oude ontginningen (RCE, 2025).

Hoekgevelboerderij

De hoekgevelboerderij komt voor in Oost‑Brabant en Noord‑Limburg en is een kleinschalige, sobere variant van het hallehuis (RCE, 2025). Voor de voorkamer in de middenbeuk is een kamer uitgebouwd, waardoor slechts één hoek van de boerderij openblijft. De boerderij heeft een asymmetrische plattegrond en een eenvoudige stalindeling (SHBO, 2004). Op het erf staan vaak kleine stallen, varkenshokken en een bakhuis, terwijl schaduwbomen en moestuinen het erf omzomen.

Kamperlandse boerderij

De Kamperlandse boerderij komt voor op het Kampereiland en wordt gekenmerkt door een uitzonderlijk lage en brede opzet (SHBO, 2002). De boerderijen liggen vaak op terpen om bescherming te bieden tegen overstromingen en harde wind (RCE, 2025). De hallehuisstructuur is breed en laag. Op het erf staan meestal hooibergen, wagenschuren en jongveestallen, terwijl de boerderij zelf parallel op de weg is geplaatst.

Meerkaps hallehuisboerderij

De meerkaps hallehuisboerderij komt voor in gebieden waar het bedrijf sterk groeide, zoals de delen van Gelderland en Overijssel (SHBO, 2002). De boerderij lijkt op een gewone hallehuisboerderij, maar heeft meerdere kappen die in fasen zijn aangebouwd (SHBO, 2004). De stal is vaak vergroot met jongveestallen of graanschuren. Op het erf staan losse hooibergen, wagenschuren en silo’s, terwijl de boerderij zelf een langgerekte en complexe dakvorm heeft.

Rivierenboerderij

De rivierenboerderij komt voor in het Gelderse rivierengebied en heeft een brede hallehuisstructuur met een ruime middenbeuk en vrijwel altijd een voerdeel. Het voorhuis is vaak als T‑huis uitgevoerd, met een schilddak en een representatieve voorgevel (SHBO, 2004). De boerderij ligt meestal haaks op de dijk, met een open erf aan de polderzijde. Op het erf staan bakhuizen, vloedschuren, hooibergen, wagenschuren en boomgaarden. Een variant op de rivierenboerderij zijn onder andere de IJsselhoeves (Jonker, 2026).

Sallandse boerderij

De Sallandse boerderij komt voor in Salland en wordt gekenmerkt door lage muren, een hoog rieten dak en een asymmetrische voorgevel met twee of drie vensters (Jans, Horst, & Kemper Alferink, 2013). De achtergevel heeft vaak een onderschoer. Varianten zijn het krukhuis, T‑huis en dwarshuis (SHBO, 2002). De erven zijn ruim en open, met hooibergen, wagenschuren en boomgaarden.

Sallandse katersteden

Katersteden zijn kleinere varianten van de Sallandse erven, met een compactere hallehuisstructuur en een eenvoudiger voorhuis. De boerderijen waren gericht op kleinschalige gemengde landbouw (Jans, Horst, & Kemper Alferink, 2013). Op het erf staan vaak kleine stallen, hooibergen en moestuinen.

Staphorster boerderij

De Staphorster boerderij komt voor in Staphorst en Rouveen en wordt gekenmerkt door de situering: boerderijen staan soms in rijen van drie achter elkaar op smalle kavels (SHBO, 2002). De boerderij is sober, met een zijgevel als hoofdgevel en meerdere gevelopeningen in de stal (SHBO, 2002). Op het erf staan kleine stallen, hooibergen en wagenschuren, terwijl moestuinen en boomgaarden het achtererf bepalen.

Twentse boerderij

De Twentse boerderij komt voor in Twente en omstreken. Goed te herkennen aan de houten topgevel zonder wolfsenden. Het type kent varianten zoals het los hoes, waarbij geen brandmuur tussen wonen en werken aanwezig is (Tirion, 1996). Kenmerkend zijn de endskamers die als losse woonruimtes voor de boerderij zijn gebouwd (SHBO, 2002).

Het dak van deze boerderijen is doorgaans ook erg stijl, soms tot 55 graden (Roeterdink, 2026).  Op het erf staan vaak vakwerkschuren, bakhuizen en hooibergen, terwijl houtwallen en essen het landschap bepalen. In sommige gevallen is de houten topgevel vervangen voor een uitzonderlijk stijl rieten wolfsend. In sommige gevallen is hier ook een uilenbord, of uilengat in verwerkt.

Veenweide hallehuis

Het veenweide hallehuis komt voor in Utrecht, Zuid‑Holland en delen van Friesland. De boerderij is smal en langgerekt, met een aangepaste voerdeelindeling waarin vaak slechts een loopdeur aanwezig is (SHBO, 1993). De stal is als Hollandse stal uitgevoerd, met brede zijbeuken. De boerderijen zijn door de jaren vaak voorzien van keukentraveeën. Op het erf staan hooibergen, wagenschuren en zomerhuizen, terwijl sloten en bruggetjes het landschap bepalen (Hekker, 1957).

Waardse boerderij

De Waardse boerderij komt voor in de Krimpenerwaard en Alblasserwaard en wordt gekenmerkt door een verhoogde noklijn in de schuur (Hekker, 1957). De boerderijen zijn vaak (niet altijd) uitgevoerd met een dwarsdeel, inrijdeuren in de zijgevel. Sommige boerderijen hebben een waterzolder of een interne hooiberging. De boerderij is niet altijd langgerekt; op woonterpen kan zij schuin zijn uitgebouwd (SHBO, 1994). Op het erf staan hooibergen, wagenschuren en losse stallen, terwijl de boerderij zelf vaak haaks op de weg staat.

Zandgrondenboerderij

De zandgrondenboerderij komt voor op de hogere zandgronden van Gelderland, Utrecht en Brabant (SHBO, 2004). Het type is kleinschalig en sober, met een eenvoudige hallehuisstructuur en een bescheiden voorhuis (SHBO, 2002).

Op het erf staan kleine stallen, bakhuizen, hooibergen en moestuinen, terwijl houtwallen en zandwegen het landschap bepalen (RCE, 2025).

Langhuisboerderij (late ontwikkeling)

Een latere ontwikkeling waarin streekeigen hallehuiselementen grotendeels zijn verdwenen (Ruiter & Brouns, 1987). De boerderij heeft hoge zijgevels, een representatief voorhuis en architectonische versieringen zoals sierankers en windveren. De hallehuisstructuur is in de voorgevel vaak niet meer zichtbaar, maar in de stal nog wel aanwezig. De keukentravée is standaard geworden. Op het erf staan losse schuren en een hooiberg, terwijl de boerderij dicht op de weg staat. Opvallend in het Groene Hart zijn de Engelenvensters (Haan, 2022).

Verwijzingen

SHBO – Stichting Historisch Boerderij‑Onderzoek

  • SHBO (1989). Landelijke bouwkunst Noord‑Holland. Arnhem: Stichting Historisch Boerderij‑Onderzoek.

  • SHBO (1993). Landelijke bouwkunst Utrecht. Arnhem: Stichting Historisch Boerderij‑Onderzoek.

  • SHBO (1994). Landelijke bouwkunst Zuid‑Holland. Arnhem: Stichting Historisch Boerderij‑Onderzoek.

  • SHBO (1998). Landelijke bouwkunst Friesland. Arnhem: Stichting Historisch Boerderij‑Onderzoek.

  • SHBO (2002). Landelijke bouwkunst Overijssel. Arnhem: Stichting Historisch Boerderij‑Onderzoek.

  • SHBO (2004). Landelijke bouwkunst Gelderland. Arnhem: Stichting Historisch Boerderij‑Onderzoek.

  • SHBO (2006). Landelijke bouwkunst Drenthe. Arnhem: Stichting Historisch Boerderij‑Onderzoek.

RCE – Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

  • RCE (2025). Boerderijtypen in Nederland: kenmerken, ontwikkeling en regionale variatie. Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Hekker

  • Hekker, J. (1957). De Nederlandse boerderij: ontwikkeling en constructie. Amsterdam: Scheltema & Holkema.

Jans / Jans J.

  • Jans, J. (1980). Boerderijen in Drenthe: ontwikkeling en typologie. Assen: Drents Historisch Instituut.

  • Jans, J., Horst, A. & Kemper Alferink, H. (2013). Boerderijen in Salland. Zwolle: Waanders.

Dijkstra

  • Dijkstra, M. (2026). Friese boerderijen: Externe validatie onderzoeksrapport. 

Jonker

  • Jonker, M. (2026). IJsselhoeves: boerderijen in het rivierengebied

Tirion

  • Tirion, J. (1996). Twentse boerderijen: bouwtraditie en landschap. Enschede: Twentse Oudheidkamer.

Roeterdink

  • Roeterdink, B. (2026). Boerderijen in Twente: dakvormen en regionale variatie. Hengelo: Historische Kring Hengelo.

Ruiter & Brouns

  • Ruiter, P. & Brouns, J. (1987). Langhuisboerderijen in het Groene Hart. Gouda: Streekarchief Midden‑Holland.

Haan

  • Haan, R. (2022). Engelenvensters en boerderijarchitectuur in het Groene Hart. Woerden: Historische Vereniging.